§1 Nigeria: rijk en toch arm
verwaarlozing van landbouw en industrie
in Nigeria werkt 43% van de bevolking in landbouw. De landbouw is vooral zelfverzorgend, de producten zijn voor eigen consumptie en brengen weinig opbrengst op.
De aardolie opbrengsten zijn het grootst in Nigeria; 50% van het BBP en 90% van de export bestaat uit olie inkomsten.
Sinds 1960 zijn de inkomsten van de export van olie gestegen. De regering had dit olie-geld moeten gebruiken om de landbouw te moderniseren. Omdat ze dit niet deden bleef het voedsel productief laag.
Ook al is Nigeria rijk aan delftstoffen is het niet gelukt om de industrie op te zetten. Dit komt door verkeerd beleid en te weinig investering in de infrastructuur.
Door de lage productie moest Nigeria luxe goederen exporteren uit andere landen.
Trek naar steden
Omdat het moeilijk is om te leven van het platteland in Nigeria trokken veel mensen naar de steden in de hoop om een baantje in de dienstensector te vinden.
Vooral banen in de overheid willen mensen hebben omdat je als ambtenaar veel corruptie kan plegen.
Corruptie = geld vragen voor gratis dingen en dan zelf houden.
Miljoenenstad Lagos
Lagos is het centrum van Nigeria. Tot 1991 ook de hoofdstad. Lagos in met 9,5 tot 13 miljoen inwoners de grootste agglomeratie van zwart Afrika.
Agglomeratie = complex van steden en voorsteden.
De nieuwe hoofdstad werd toen Abuja. Dit had twee redenen.
1. Centrale godsdienst ligging tussen de islamitische noorderlingen en het christelijke zuiden.
2. De problemen in Lagos werden door de snelle groei te groot.
In Lagos komen er per maand 25.000 inwoners bij. Omdat alle grond privé bezit is vinden de nieuwkomers vaak onderdak bij familie in huis. De dichteheid van Lagos loopt op tot 80.000 inwoners per km2.
Er zijn in Lagos weinig voorzieningen zoals: onderwijs, medische zorg, elektriciteit en waterleiding.
2 Aids in Afrika
Demografie en aids
Een belangrijk kenmerk van Afrika is de snelle bevolkingsgroei. Tussen 1960 en 200 is de bevolking van 200 naar 700 miljoen gegaan. Afrika heeft de grootste bevolkingsgroei in de wereld.
Demografie = de wetenschap die de bevolkingsaantallen bestudeert.
Aids heeft grote demografische gevolgen; wereldwijd zijn 40 miljoen mensen besmet waarvan ruim 70% in Afrika. Daarom heeft Afrika dagelijks te maken met aids.
Economie en aids
Bij de ziekte aids sterven vooral de productieven van de bevolking.
Doordat vooral de productieven in families sterven, daalt of verdwijnt vaak het gezinsinkomen. Vaak kunnen kinderen hierdoor niet meer naar school en moeten ze meehelpen in de huishouding.
Door aids sterven veel leraren, pleegkundigen en gabrieksarbeiders. Hierdoor is er minder kans voor opleiding en stijging van de economie.
Strijd tegen Aids
Door de cultuur en het ontbreken van goede aidsvoorlichting verspreid het snel.
Er werd lang weinig gedaan tegen aids. Er is nu meer aandacht voor aidsbestrijding. Niet alleen voor aidspreventie, maar ook voor het genezen van al besmetten patiënten.
Door de verlaging van aidsremmers hoopt de overheid meer mensen te genezen.
§3 Hulp voor Afrika
Noodhulp
De hulp bij rampen als hongersnoden, natuurrampen of oorlogsgeweld
= noodhulp
noodhulp is alleen maar hulp voor dat moment. Er wordt niks gedaan aan de oorzaken van de rampen.
Structurele hulp
De hulp waar mensen blijvend iets aan hebben = structurele hulp
Bij structurele hulp wordt er gekeken naar de oorzaken van de ramp en die oorzaken worden geprobeerd te worden opgelost. Dit kunnen acute oorzaken zijn en diep liggende oorzaken.
Armoedebestrijding
De beste manier om armoede te bestrijden is om de arme bevolking toegang te laten krijgen tot betaalbare basisvoorzieningen.
De regering en hulporganisaties steunen projecten om basis voorzieningen te verbeteren.
Hier een samenvatting van alle B's:
> Ontwikkeling = overgang van een land waar de meeste mensen arm zijn naar een land waar de meeste mensen rijk zijn.
Ontwikkelingspeil = de ontwikkeling van een land op een bepaald moment.
o Ontwikkelingspeil is te zien aan de inrichting.
o Ontwikkelingspeil is af te lezen op kaarten over inkomen, voeding, gezondheid, opleiding en huisvesting.
Drie groepen landen in de wereld:
- ‘Rijke’ landen of ontwikkelde landen.
De meeste mensen hebben goed te eten, wonen in een goed huis en hebben een goede opleiding. Ook kunnen ze naar een dokter als ze ziek zijn. Het inkomen is hoog.
- ‘Arme’ landen of ontwikkelingslanden
De meeste mensen hebben weinig te eten en wonen in slechte huizen. Ook zijn er weinig scholen en weinig dokters. Het inkomen is laag.
- Veel landen zitten ertussenin: niet slecht, niet goed.
> Twee groepen ontwikkelingskenmerken:
o Basiskenmerken: inkomen (BNP) en eerste levensbehoeften (voedsel, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs).
o Overige kenmerken: tempo bevolkingsgroei, beroepsbevolking in eerste, tweede en derde sector, energieverbruik, % stedelingen en kwaliteit infrastructuur
> Inkomen: indicator (aanwijzer) van de ontwikkeling in een land.
o Inkomen van alle inwoners bij elkaar:
BBP = bruto binnenlands product;
BNP = bruto nationaal product.
o BBP / BNP : aantal inwoners = BBP / BNP per inwoner.
> BNP per inwoner is gemiddelde.
Nadeel: gemiddelde zegt niet zo veel:
o soms grote verschillen rijke en arme mensen.
o soms grote verschillen rijke-arme regio’s.
> Rijke landen: 75-90 % woont in stad.
Minder ontwikkelde landen: 40 % woont in stad.
Minst ontwikkelde landen: 25 % woont in stad.
o Percentage stedelingen laag, maar eigenlijk te veel mensen in stad.
- Oorzaak: mensen gaan naar stad in de hoop werk te vinden.
o Krottenwijken/bidonville = illegale woonwijken met zelfgeplaatste huizen.
> Leeftijdsgrafiek/bevolkingspiramide = een staafdiagram dat de leeftijdsopbouw van de bevolking laat zien.
> Drie groepen in leeftijdsopbouw:
- Jongeren: 0-19 jaar
- Productieven: 20-65 jaar.
- Ouderen: ouder dan 65 jaar.
o In de groep ‘productieven’ zitten bijna alle mensen die werken. Zij verdienen het geld voor de andere groepen.
Demografische druk = de verhouding tussen de productieve leeftijdsgroep en de niet-productieve groepen. Met het woord ‘druk’ wordt bedoeld dat het deel van de bevolking dat geen geld verdient, een druk legt op de groep die wél geld verdient.
- Gevolg: er komen meer mensen die niet werken. Zij krijgen een inkomen in de vorm van een pensioen, dat wordt verdiend door de ‘productieve’ bevolking.
- Formule demografische druk: aantal jongeren + aantal ouderen : aantal productieven x 100 % = demografische druk. Hoe hoger de uitkomst, hoe hoger de druk.
Arme landen Rijke landen
> Geboortecijfers; 25-35 10-15
Sterftecijfers; 12 10
o Hoge geboortecijfers hangen voor een deel samen met de armoede.
- Te weinig geld en te weinig kennis om geboortebeperking toe te passen.
- Men wil ook niet beperken;
1 Kinderen zijn nodig om het gezinsinkomen te verhogen door werken.
2 Er zijn ook geen pensioenen, dus zorgen de kinderen voor de ouderen.
3 Godsdiensten tegen geboortebeperking
Eerste levensbehoeften
> Voedsel:
o 2 soorten honger:
1 Kwalitatieve honger; genoeg eten maar te weinig eiwitten en vitaminen.
- Gevolg: 1 mensen eerder ziek en sterven jong.
2 mensen zwakker, dus werken minder
2 Kwantitatieve honger; hoeveelheid is niet genoeg.
Doordat de oogst mislukt door natuurlijke rampen,
of door menselijke oorzaken zoals oorlogen.
- Gevolg: doodgaan van de honger.
> Huisvesting - stevig gebouwd en voldoende ruimte
- toilet afvoeren en schone kraan.
o Op platteland zijn de huizen beter dan stad,
mensen gebruiken dan de rivier voor drinkwater, wasplaats en riolering.
> Onderwijs:
o 2 oorzaken van analfabetisme:
- Kinderen moeten jong werken
- Te weinig onderwijzers en andere benodigdheden voor school
> Gezondheidszorg
o Geneesmiddel: schoon water en gevarieerd eten.
o Slechte gezondheidszorg door:
- Geen geld om ziekenhuizen te betalen.
- Te weinig dokters en ziekenhuizen
> Ontwikkelingssamenwerking = ontwikkelde landen krijgen hulp van rijke landen.
o Indelingen:
1 Wát er wordt gegeven, bijv. voedselhulp.
- Duurzame hulp: lange termijn hulp
- Noodhulp: korte termijn hulp
2 Wie er geeft;
Joint venture = bedrijf uit rijk land werkt samen met ontwikkelingsland,
ook organisaties die hulp verlenen.
3 Bilaterale hulp – 2 landen betrokken; de gever en de ontvanger.
Multilaterale hulp – een groep landen betrokken; meestal via organisatie.