Hier een samenvatting van alle B's:
> Ontwikkeling = overgang van een land waar de meeste mensen arm zijn naar een land waar de meeste mensen rijk zijn.
Ontwikkelingspeil = de ontwikkeling van een land op een bepaald moment.
o Ontwikkelingspeil is te zien aan de inrichting.
o Ontwikkelingspeil is af te lezen op kaarten over inkomen, voeding, gezondheid, opleiding en huisvesting.
Drie groepen landen in de wereld:
- ‘Rijke’ landen of ontwikkelde landen.
De meeste mensen hebben goed te eten, wonen in een goed huis en hebben een goede opleiding. Ook kunnen ze naar een dokter als ze ziek zijn. Het inkomen is hoog.
- ‘Arme’ landen of ontwikkelingslanden
De meeste mensen hebben weinig te eten en wonen in slechte huizen. Ook zijn er weinig scholen en weinig dokters. Het inkomen is laag.
- Veel landen zitten ertussenin: niet slecht, niet goed.
> Twee groepen ontwikkelingskenmerken:
o Basiskenmerken: inkomen (BNP) en eerste levensbehoeften (voedsel, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs).
o Overige kenmerken: tempo bevolkingsgroei, beroepsbevolking in eerste, tweede en derde sector, energieverbruik, % stedelingen en kwaliteit infrastructuur
> Inkomen: indicator (aanwijzer) van de ontwikkeling in een land.
o Inkomen van alle inwoners bij elkaar:
BBP = bruto binnenlands product;
BNP = bruto nationaal product.
o BBP / BNP : aantal inwoners = BBP / BNP per inwoner.
> BNP per inwoner is gemiddelde.
Nadeel: gemiddelde zegt niet zo veel:
o soms grote verschillen rijke en arme mensen.
o soms grote verschillen rijke-arme regio’s.
> Rijke landen: 75-90 % woont in stad.
Minder ontwikkelde landen: 40 % woont in stad.
Minst ontwikkelde landen: 25 % woont in stad.
o Percentage stedelingen laag, maar eigenlijk te veel mensen in stad.
- Oorzaak: mensen gaan naar stad in de hoop werk te vinden.
o Krottenwijken/bidonville = illegale woonwijken met zelfgeplaatste huizen.
> Leeftijdsgrafiek/bevolkingspiramide = een staafdiagram dat de leeftijdsopbouw van de bevolking laat zien.
> Drie groepen in leeftijdsopbouw:
- Jongeren: 0-19 jaar
- Productieven: 20-65 jaar.
- Ouderen: ouder dan 65 jaar.
o In de groep ‘productieven’ zitten bijna alle mensen die werken. Zij verdienen het geld voor de andere groepen.
Demografische druk = de verhouding tussen de productieve leeftijdsgroep en de niet-productieve groepen. Met het woord ‘druk’ wordt bedoeld dat het deel van de bevolking dat geen geld verdient, een druk legt op de groep die wél geld verdient.
- Gevolg: er komen meer mensen die niet werken. Zij krijgen een inkomen in de vorm van een pensioen, dat wordt verdiend door de ‘productieve’ bevolking.
- Formule demografische druk: aantal jongeren + aantal ouderen : aantal productieven x 100 % = demografische druk. Hoe hoger de uitkomst, hoe hoger de druk.
Arme landen Rijke landen
> Geboortecijfers; 25-35 10-15
Sterftecijfers; 12 10
o Hoge geboortecijfers hangen voor een deel samen met de armoede.
- Te weinig geld en te weinig kennis om geboortebeperking toe te passen.
- Men wil ook niet beperken;
1 Kinderen zijn nodig om het gezinsinkomen te verhogen door werken.
2 Er zijn ook geen pensioenen, dus zorgen de kinderen voor de ouderen.
3 Godsdiensten tegen geboortebeperking
Eerste levensbehoeften
> Voedsel:
o 2 soorten honger:
1 Kwalitatieve honger; genoeg eten maar te weinig eiwitten en vitaminen.
- Gevolg: 1 mensen eerder ziek en sterven jong.
2 mensen zwakker, dus werken minder
2 Kwantitatieve honger; hoeveelheid is niet genoeg.
Doordat de oogst mislukt door natuurlijke rampen,
of door menselijke oorzaken zoals oorlogen.
- Gevolg: doodgaan van de honger.
> Huisvesting - stevig gebouwd en voldoende ruimte
- toilet afvoeren en schone kraan.
o Op platteland zijn de huizen beter dan stad,
mensen gebruiken dan de rivier voor drinkwater, wasplaats en riolering.
> Onderwijs:
o 2 oorzaken van analfabetisme:
- Kinderen moeten jong werken
- Te weinig onderwijzers en andere benodigdheden voor school
> Gezondheidszorg
o Geneesmiddel: schoon water en gevarieerd eten.
o Slechte gezondheidszorg door:
- Geen geld om ziekenhuizen te betalen.
- Te weinig dokters en ziekenhuizen
> Ontwikkelingssamenwerking = ontwikkelde landen krijgen hulp van rijke landen.
o Indelingen:
1 Wát er wordt gegeven, bijv. voedselhulp.
- Duurzame hulp: lange termijn hulp
- Noodhulp: korte termijn hulp
2 Wie er geeft;
Joint venture = bedrijf uit rijk land werkt samen met ontwikkelingsland,
ook organisaties die hulp verlenen.
3 Bilaterale hulp – 2 landen betrokken; de gever en de ontvanger.
Multilaterale hulp – een groep landen betrokken; meestal via organisatie.